‘Waarom hebben wij geen minister van Informatietechnologie?’

Minister Plasterk wil dat wij over vier jaar alleen nog maar via computers met de overheid praten. Hij wil een digitale overheid. Dat schreef de minister onlangs aan de Kamer. Het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten moeten van de minister overstappen naar ‘digitaal’. Dus als we een vergunning willen hebben voor een buurtfeest, iets aan onze kinderopvangtoeslag willen veranderen, een vraag hebben over het tuinhuisje van de buren, of daar een bezwaarschrift tegen willen indienen, dan moet dat in 2017 allemaal via de computer. Pen en papier kan weg.

Uiteraard zouden burgers en bedrijven er zeker van moeten zijn dat ze met de overheid van doen hebben en andersom, zegt Plasterk. Daarom gaat het Rijk ook kijken naar een vervolg van DigiD, met een zwaardere vorm van identificatie. Bovendien kunnen mensen nog dit jaar via internet checken of hun gegevens bij de Gemeentelijke Basisadministratie goed zijn opgeslagen. De hele operatie bespaart driehonderd tot 350 miljoen euro per jaar, verwacht Plasterk.

Het is ontegenzeggelijk een mooi streven en het plan is zeker geen luchtfietserij. Toch zou de minister zelfs miljarden kunnen besparen als hij meer durf toont. Plasterk erkent in zijn Kamerbrief impliciet dat de overheid weinig effectief bezig is in de ontwikkeling van de it-infrastructuur. Ondanks dat er her en der wat samenwerking is, zoals bij de Belastingdienst en Rijkswaterstaat, probeert iedereen grotendeels zelf met een oplossing te komen. ‘Het kost onnodig veel geld als overheden zelf hun eigen basisinfrastructuur bouwen’, schrijft Plasterk. Hij denkt ook al voorzichtig aan oplossingen. Voor de gemeenten wil de minister bijvoorbeeld kijken naar ‘een generieke kernwebsite’. Maar een kernwebsite gaat nog lang niet ver genoeg om het plan te laten slagen.

Communiceren is essentieel in Plasterks nieuwe digitale overheid. Maar de vele systemen die de overheid nu heeft, kunnen niet of nauwelijks met de buitenwereld praten. Dat komt omdat de fundering van die it al eigenlijk tientallen jaren oud is. We zitten met een complexe erfenis, met oplossingen van vroeger. Als we echt digitaal gaan, zullen alle regels bovendien goed geautomatiseerd moeten zijn. Dat is nu niet het geval en met de huidige systemen gaat dat simpelweg nooit lukken. Er zal aanpassing op aanpassing komen, de systemen zullen nog complexer worden. Als we met de oude systemen doorgaan, zal er in 2017 achter elke digitaal beantwoorde vraag, gewoon nog een ambtenaar zitten met een dik boek, waarin hij alles op moet zoeken.

Technisch zijn we wel degelijk klaar voor de digitale overheid. We hebben er de kennis en middelen voor. De smartphone-gebruikende burger zal de programma’s herkennen. Het lijken simpele apps, te downloaden of te bereiken via internet en communiceren na een kleine aanpassing zonder problemen tussen burger en database van de overheid. Daar ligt de toekomst van de it. Afrekenen is ‘pay per use’ voor de overheid. Dat scheelt ook weer licentie- en onderhoudskosten.

En het is nog mooier. Veel van die technologie of ondersteunende middelen wordt gemaakt door Nederlandse bedrijven, als VisionWaves, Cordys, Aquima, Elise, CaseTalk. Buiten onze grenzen speelt dit Hollands glorie op het hoogste niveau mee, de software vindt gretig aftrek in landen waar legacy minder in de weg zit, zoals Amerika en Azië. Maar hier wordt het door de overheid terzijde geschoven. In aanbestedingen kiezen bestuurders vaak nog voor grote bedrijven met de bestaande systemen. Ze kiezen voor schijnzekerheid; de oplossingen die ze kennen. Hoopvol is dat het ministerie van Binnenlandse Zaken de apps wel degelijk in het vizier heeft en daarmee wil gaan experimenteren, zoals Computable eind mei berichtte.

Plasterks plan is in deze tijd de spijker op de kop. We moeten alleen niet blijven doormodderen met de huidige, grote inflexibele systemen. De overheid moet mee gaan met de tijd en Plasterk moet via de cio’s zijn mede-overheden en departementen de generieke apps zo snel mogelijk laten omarmen. Dan pas zullen we in 2017 pen en papier definitief de deur uit kunnen doen.

Hans van Bommel

Oelan

Delen: